Kunstenfestival Watou 2019

Eddie Symkens  (BE)

Glorious / Immunity / Suspicion / Revolte 2018

Eddie Symkens (°1964) combineert een loopbaan in de toegepaste psychologie met beeldhouwen.
Deze twee passies verweven  zich met elkaar: als psycholoog wordt Eddie Symkens dagelijks geconfronteerd met mensen die getekend zijn. Hij  beschouwt de tegenslagen waarmee hij geconfronteerd wordt, als uitdagingen om te buigen in veerkracht of levenskracht.
In zijn atelier in Maasmechelen  maakt Symkens beeldhouwwerken uit keramiek en brons. Zijn ‘menssculpturen’ geven op het eerste zicht een getormenteerde, gekwelde indruk. Ze bezitten een immens expressieve en emotionele kracht. Wie goed kijkt, neemt er echter een zekere levenskracht in waar. Wat Symkens tracht weer te geven, is het moment waarop iemand na een mentale tegenslag opnieuw opstaat en energie ontdekt. Je bespeurt in de gezichten niet alleen  machteloosheid en onzekerheid, maar ook verwondring en vreugde. Symkens weerspiegelt deze emoties ook in zijn titels: Glorious, Immunity en Suspicion zijn drie staande sculpturen op de sokkel. Hangend aan de muur hier in de Rode Hoed vind je de reeks Revolte, de opstand.
De  sculpturen van Symkens vragen veel tijd. Doordat ze zijn ontstaan uit een proces van samendrukken, toevoegen en kneden, ontstaat een soort ruwheid van overlappende stukken, repen en brokken. De sporen van het boetseren, het kerven en slaan, zijn nog duidelijk waarneembaar. De vormen herleid tot hun essentie, de details zijn weggelaten . Wat overblijft is het vormelijke, het wezenlijke, daar waar het eigenlijk om gaat. De correcte anatomie is hier onbelangrijk, evenmin wil Symkens dat zijn figuren kracht en overwinning symboliseren. Wat Symkens interesseert is het menselijke, zoals onmacht en tegenspoed. Geluk komt iemand niet zomaar aangewaaid, de  mens kent ook tegenslagen. Het gaat erom het lot te overstijgen, vitaliteit te herwinnen en te leven zoals men wil.
 
(tekst gebaseerd op teksten van kunstrecensenten  Fernand Haerden en Hugo Brutin)
 
BRON:
Catoloog:
Kunstenfestival Watou 29/06 - 01/09
SAUDADE
Niets bestaat dat niet iets anders aanraakt.

2019

 

REPOPULATING IN CLAY 

Cultureel Centrum Maasmechelen


De Griekse theaterliteratuur is gekenmerkt door de prominente aanwezigheid van drie bepalende auteurs voor de wereldliteratuur, met name Aeschylos (525- 456 v.C.) , Sophocles (496-406 v.C.) en Euripides (485-406 v.C.). Van deze laatste zijn geboorte- en sterftejaar niet nauwkeurig gekend. Bij Aeschylos bepalen de eigen wil en de hogere machten (de goden) die de wereld beheersen, het menselijk lot. Dit fatum wordt door de helden bestreden. Ze durven dat aan, omdat de goden toch alleen maar de zgn. ‘boosdoeners’ straffen. Bij Sophocles is het menselijk geluk kwetsbaar, omdat de goden hun wil opdringen en de mensen daardoor in hun verzet vaak hun eigen ondergang bewerkstelligen. Voor Euripides regeert niet de logos (de rede), maar de hartstocht, met name de haat, liefde, vreugde, het leed. Zonder het keramisch werk van Eddie Symkens (1964) te willen gelijkschakelen met de tragediestukken van deze drie grootmeesters (wat alleen maar van hybris zou getuigen en nefast voor betrokkene zou zijn), is het wel mogelijk het lot van de keramische figuren een plaats te geven tussen de lotgevallen van de tragische Griekse helden. Kortweg samengevat zou je de inhoudelijke/karakteriële evolutie van de keramische figuren kunnen omschrijven als ingesloten in zichzelf/ondergeschikt aan het lot, verhalend over zichzelf/zich meester makend van het lot, expressief over zichzelf/meester zijnd over het lot. Dit heeft vanzelfsprekend wat duiding nodig. Want waarom de referentie aan de Grieken? In de eerste plaats omdat het gebruik van klei je als kunstenaar dicht bij de oorsprong van de aarde brengt, omdat klei zélf aarde is. Klei die gekneed wordt, confronteert je als maker met lichamelijkheid, tijdelijkheid, vergankelijkheid, de kwetsbaarheid ook van de figuren die onder je handen ontstaan. Bovendien geeft klei tijdens het kneden een scheppende kracht, word je de scheppende hand van een god die lichamen kneedt en creëert.
Thuiskomen in een wereld waaruit de zingeving – geïnspireerd door de grote verhalen van religie en metafysica – grotendeels verdwenen lijkt, is ook voor de figuren van Eddie Symkens geen sinecure gebleken. Want het gaat om zichzelf bevragende wezens, die wel niet – lijk Sartre beweerde – ‘in een zinloze wereld geworpen zijn’, maar zich toch via persoonlijke vrijheid en verantwoordelijkheid dienen te bevestigen in een niet zo vriendelijke wereld om van hun bestaan een dynamisch proces te maken. Wat is, wat wordt hun plek in deze wereld? Want hoewel je als kunstenaar een zekere tijdloosheid beoogt, zijn ze toch aanwezig in onze tijd en worden ze zo ook beoordeeld.
Deze vragen, bedenkingen hebben zich voor kunstenaar Eddie Symkens niet gelijktijdig gesteld, maar zijn ook deel van een proces in jaren geweest. Wie het werk van deze kunstenaar in zijn evolutie heeft gevolgd, weet dat het om zeer expressief werk gaat. Een expressiviteit die zich telkens op andere wijzen heeft geuit/getoond/gemanifesteerd, maar die steeds vanuit het keramische hoofd gedirigeerd is. Een hoofd waarvan de expressie vragend, niet-begrijpend, soms overtuigd/overtuigend oogt, altijd naar boven/naar buiten gericht is. Toch is de blik naar binnen gekeerd, is hun naar buiten kijken onmogelijk gemaakt door plakken klei op de ogen gekleefd. Niet-wetend dus wat de buitenwereld biedt. Hun wereld is de binnenwereld, waarin zich hun ‘verhaal’ afspeelt. Bovendien wordt – in een eerste fase – dit in-zichzelf-gesloten-zijn versterkt, doordat ze zonder armen in enge lange toga’s/jurken opgesloten zitten. Hun innerlijke bewegingsloosheid wordt evenwel verzacht, doordat de lichamen zich dansant lijken voort te bewegen, in ringen evenwel verpakt. Dit dansen lijkt een beschaafd tollen te zullen worden, statig-gracieus.
Het is alsof je doorheen de ringvormige huid het vergeestelijkte lichaam kan bevroeden/ontwaren/zien. Diafaan. Efemeer. De smalle mond – bijna gesloten – verraadt een neuriënd zingen, want hoewel schijnbaar van de buitenwereld afgesloten, lijken deze figuren niet echt door tormenten geplaagd te zijn.


In een tweede fase van de ontwikkeling wordt het lichaam a.h.w. geschubd, bestaat de huid uit plakken klei, heeft dat lichaam zich een grotere vrijheid veroverd. Je zou kunnen spreken van breedbenige figuren, of rechtopstaande, rechtop gaande breed uitgedijde figuren. De expressie van zowel hoofd, lijven en vooral handen is haast realistisch. Deze figuren lijken de wereld iets te verkondigen, op een wat theatrale manier vragen te willen stellen, de ogen nog steeds dichtgeplakt/dichtgekleefd, maar toch ietsje geopend, waardoor de relatie/houding met de buitenwereld niet vanzelfsprekend wordt. In tegenstelling met deze grotendeels afgedekte ogen, van de buitenwereld afgeschermd, zijn de hoofden effectief naar boven gericht, als willen ze willens nillens het contact met de buitenwereld niet moedwillig verbreken. Ze willen m.a.w. – zoals eerder gesuggereerd – een verhaal vertellen, hun verhaal van leed en smart. In deze fase openen ze zich daarom niet fysiek, maar wel vanuit een innerlijk noodzaak heel nadrukkelijk voor de buitenwereld, een buitenwereld waarvan ze door negatieve krachten belaagd worden of waarvan ze hun hun lot op schouders moeten torsen. Lasten als doeken/kleren/tassen dienen meegedragen te worden. Toch vertolken ze hun drang naar stabiele houvast, dragen ze de wereld in hun handen, nemen ze deel aan een wereldgebeuren buiten hen, een gebeuren dat ze zelfverzekerd tegemoet gaan. Een buitenwereld die zich ook aan het duo of trio voor een gesprek aanbiedt. De vrijere compositie zit hier niet alleen in het hoofd, maar in de beweging van het hele lijf. Een beweging die op zich al een idee/een gevoel uitdrukt, niet zelden versterkt door attributen allerhande. In aanvang wel eens oneigenlijke toevoegingen. Het zijn keramische werken die effectief deel uitmaken van wat we expressionisme noemen, handen en houdingen betreffend. Met handen die aan Permeke refereren. Maar tegelijk stellen we vast dat het al of niet ontbreken van handen een constante zal worden in dit werk.


De meest actuele werken – hier tentoongesteld onder de titel ‘Repopulating in clay’ – hebben een duidelijke metamorfose ondergaan. Ze lijken op het eerste gezicht zich het meest van een natuurlijk-figuratief mensbeeld te hebben verwijderd, maar vertonen in tegenstelling daarmee de meest uitgesproken gevoelens: rebellie/argwaan/genegenheid/verwachting/verlangen/immuniteit.
De diepste/intense gevoelens duiken op uit een lichaam dat naar een oervorm teruggaat/terugglijdt. Een lichaam waarvan de geest/de rede zich laat overmeesteren door emoties die de 20ste-, 21ste-eeuwse mens onterfd lijken te zijn. Het lichaam lijkt één compacte kliedering van massa te worden, in realiteit van dichtbij een bijzonder verfijnde/vernuftige opbouw: kantwerk. De meest rauwe menselijkheid van Francis Bacon, Oskar Kokoschka, David Bowie (‘Lazarus’) is aanwezig. Een gepijnigde/getormenteerde lichamelijke deformatie. Een intensiteit (vaak geopende mond) die het innerlijke én uiterlijke niet door afwijkende ideeën doet scheiden, maar ze ondeelbaar geheel doet blijven. Een intensiteit van gevoelens, die als lava verschroeien, maar als stolling versterken, zodat er geen sprake is van verzwakking. Moet de mens zich opnieuw uitvinden? Moet hij niet opnieuw op zoek naar zijn oorspronkelijke oervorm om de essentie te herwinnen? Confrontaties met zoveel onderhuidse krachten die de veroverde persoonlijke vrijheid van het individu op velerlei wijzen aantasten, doen hem echter niet ondergaan in een psychisch kluwen. Tormenten, dat wel! Maar tegelijk afweer. Geen afkeer of afwijzing. Geen roemloos ten ondergaan. Wel het beeld van de mens met vragen. De mens in nood. De vereenzaamde, wanhopige, gepijnigde mens als metafoor voor een gepijnigd mensbeeld.
In het Griekse denken is er sprake van dichotomie: het dionysische dat leidt tot chaos, voortkomend uit verandering en het apollinische, dat orde en maat genereert, maar daarom eerder voor behoud opteert. Irrationaliteit versus rationaliteit. Volgens Nietzsche bestaat de werkelijkheid uit ‘strijd, chaos, ontstaan en vergaan’ en verwerpt hij de rationaliteit, die verandering, m.a.w. het echte leven, afwijst. Eddie Symkens probeert greep te krijgen op de werkelijkheid van zijn figuren. Niet alleen via hun lichamen, die aanleiding
geven tot de veronderstelling dat ze een dionysisch bestaan leiden, waarin angst/kwelling/chaos lelijk huishouden. Figuren die niettegenstaande hun brokkelige structuur uit steen gehouwen lijken. Een dynamisch leven leiden.
Geen wil tot macht vertonen, wel de wil tot zelfontplooiing, tot overleven in de levende werkelijkheid waaruit ze zich niet terugtrekken. Zich sterk genoeg voelen om vanuit hun eigen ‘zijn’ dingen te doen: in opstand te komen, te rebelleren, argwaan te koesteren, maar tegelijk (positief) verwachtingsvol te zijn. Vooral dat laatste – laten we dat een apollinische houding noemen – is meer dan een toevallige aanvulling. Het wijst op afwezigheid van pessimisme.
Nietzsche spreekt van ‘pessimisme vanuit kracht’. Bij Eddie Symkens putten de figuren hun levenskracht niet uit pessimisme, noch uit een redeloos optimisme, maar uit een zelfverzekerde kracht in eigen kunnen, ondanks de waarschuwende vraag van opnieuw Nietzsche: ‘Hoe kunnen we ons bestaan draaglijk maken, als we eenmaal inzien wat het werkelijk inhoudt?’
Het antwoord hierop is ons door de figuren gegeven. Figuren die zo vol van intensiteit zijn, dat het oog van de kijker er niet los van komt. De aandacht niet afgeleid wordt. Zelfs vragen als: waar zijn de armen? de benen? de handen? zijn overbodig of worden gewoonweg niet gesteld. Omdat ze er wellicht zijn voor ons oog dat ze wel ‘ziet’. Eenkleurig, tweekleurig, de rijkdom van deze sculpturen is zo gedurfd ook, dat de schoonheid ervan niet door kijken alleen ervaren kan worden. Het is resultaat van onwaarschijnlijk lang kneden,
boetseren, met handen en vingers bewerken, met houten voorwerp bekloppen, daardoor een ritmiek doen ontstaan die niet alleen het gevolg is van een bewegende houding van het lichaam, maar ook van een zich herhalend en contrasterend spel van lijnen, vlakken, uitspringende tentakels, die bij aandachtig kijken als geagiteerde golven over de huid strijken. Een precisie als technisch-kunnen onontbeerlijk. Een art brut- aanpak die raffinement wordt.
Het is alleszins duidelijk dat Eddie Symkens met zijn keramische sculpturen wel degelijk ontsnapt aan het veralgemenende beeld van schoonheid. Superficiële schoonheid dan. Gelukkig stapt hij met in dit werk in de sporen van bv. Johan Tahon (Menen, 1965) of van Khalil Chishtee (Pakistan), zonder evenwel door hen beïnvloed te zijn. Werkt de ene niet met gips, de andere met plastic zakken? Wel is er de verwantschap met een uitspraak van vermelde Chishtee: ‘Kunst moet (voor de maker ervan) leiden tot zelfontdekking en een dieper
introspectief begrip’.
Kunnen we ‘Repopulating in clay’ ook als een statement zien van een kunstenaar die zelf vragen stelt bij de wijze waarop deze wereld met individuen omgaat? Met mensen die nood hebben aan erkenning en respect om wie en
wat ze zijn, want niet iedereen is even sociabel of succesvol voor een gemeenschap voor wie socialbesitas haast een voorwaarde voor normaal functioneren is geworden. Met mensen ook die omwille van hun afkeer voor eenheidsdenken gemeden en/of genegeerd worden. Met mensen voor wie dissensus geen onfatsoenlijk begrip is.
‘Repopulating in clay’ als pleidooi voor een menselijker wereld door niet alleen een individuele ik-strijd aan te gaan in een beweging naar zelfhandhaving.
Geen alleen maar passieve beleving. Emmanuel Levinas (1906-1995), Litouws-Frans filosoof, ternauwernood ontsnapt aan de gaskamer, denkt in zijn filosofie niet vanuit het Ik, maar vanuit de Ander. Zo creëert hij vrije ruimte die door de Ander ingevuld kan worden. We hoeven de ander niet als onze gelijke te zien, want dan wordt de identificatie te groot en lost de Ander zich in ons op.
Wederzijds respect dus die tot verantwoordelijkheid leidt.
Het betreden van ‘Repopulating in clay’ brengt ons in een wereld van zoveel anderen, waar de een de ander lijkt te vragen: ‘Hoe te leven?’ Een vraag die ons daar ook gesteld wordt.

 

Fernand Haerden

2019

 

Galerie Via Naturae Oostende 7.7.2013

Expressie lijkt mij het basisgegeven te zijn  in de keramische sculpturen van Eddie Symkens. Het valt wel meer voor dat indien expressie primeert en daarnaast een ‘boodschap’ tussen aanhalingstekens wordt gesuggereerd, de vormentaal daaraan ondergeschikt is. Dat is hier duidelijk het geval wat alweer niet betekent dat iets aan die vormentaal zou schorten.
De vrijheid die de kunstenaar zich op dat vlak kan veroorloven is thans behoorlijk groter dan  enige tijd geleden.

Galerie Via Naturae is erin geslaagd om werk van Eddie Symkens naar Oostende te brengen en dat is een niet geringe verdienste.

Het is niet onbelangrijk te vernemen dat Eddie Symkens beroepshalve toegepaste psycholoog is. Dat kan inderdaad een en ander verklaren op het vlak van de geestelijke achtergrond van zijn personages, maar zijn sculpturen bezitten een zo grote expressiviteit, een zo welsprekende gebarentaal en tevens een zo verrassende eigenheid dat die referentie niet absoluut noodzakelijk lijkt of blijkt te zijn.

Eddie Symkens  bezit een ruime bekendheid en wordt in grote mate gewaardeerd en bewonderd door wie de beeldtaal aanziet als een bron van geestelijke inspiratie waarbij de materie en haar gelaagdheid harmonisch met de uitgebeelde gedachte samengaat.
Materie is belangrijk in zijn oeuvre. Zij evoceert duidelijk het modelleren en opbouwen van een gestalte die enigszins compact overkomt, maar tevens in haar ontroerende ruwheid een tot het uiterste gedreven sensibiliteit bezit.
Via de vorm komen wij aldus in de betekenis terecht.
Het zal u daarbij zijn opgevallen dat de figuren van Eddie Symkens vanuit hun rode, gele  of blauwe aanwezigheid vaak naar een hoger gelegen of vermoede aanwezigheid kijken bijna smekend of getormenteerd, een verlangen incarnerend, een hoop illustrerend, een verbazing oproepend, vanuit hun ogenschijnlijk verstarde  maar bij nader toezien uitermate nauwgezet opgebouwde huid en lichamelijkheid.
Dit betekent onder meer dat de beeldtaal van de kunstenaar een reflectie is van de wereld van vandaag en in feite ook van de universele mens, van zijn hoop en zijn uitkijken naar iets dat verbaast of intrigeert, dat beantwoordt aan een verlangen dat in de omgeving van een extase vertoeft.
Het zal u, neem ik aan, tevens zijn opgevallen dat veel van de beelden van de kunstenaar een soort hunkeren illustreren, een soort buiten zichzelf treden in functie van wat hen beroert  en hen zowel letterlijk als figuurlijk tekent.

De sculpturen van Eddie Symkens mogen als uitgepuurd en ontdaan van anekdote worden aanzien.
Het schijnbaar onbehouwene dat in de hand wordt gewerkt door eerder ruwe toetsen van klei kan heel even de kijker ontredderen ,maar vrij vlug wordt die kijker gegrepen door de emotie of de dwingende prikkel die het personage ervaart en aantoont,  en wat, bij nader toezien, zijn gehele lijf beroert.

Het menselijke wezen dat Symkens uitbeeldt evoceert een veelheid van emoties en van betrachtingen en overstijgt de gedachte van een perfecte vorm, van een anatomie die aan een schoonheidscanon zou moeten beantwoorden.
Dat is duidelijk en het is evenzeer duidelijk dat de inhoud primeert, en dat de boodschap frappanter wordt naarmate de spanning expressiviteit bezit of uitstraalt.

Perfectie is immers koel en veelal nietszeggend. De authenticiteit van het beeld op zich en van daaruit ook de zegging namelijk dat wat de kunstenaar heeft beoogd en wat de kijker beroert nestelt zich in de gewilde of spontane onvolmaaktheden van het mensbeeld, van het wezen dat is samengesteld uit ruwe klonters van klei in het werk van Eddie Symkens.

In hun ogenschijnlijke onbeholpenheid spreken de personages van Eddie Symkens ons aan indien wij even stil willen staan en toezien hoe het gehele lijf in een gebogen spanning nieuwsgierigheid uitdrukt, verbazing, een vorm van bevragen en hoe de handen bijzonder welsprekend zijn en een sierlijke tegenpool betekenen tegenover het aanvankelijk ruw lijkende lichaam dat uiteindelijk een en al sensibiliteit en expressie blijkt te zijn.
Zijn figuren kijken vanuit hun introvert bestaan naar iets dat hen boeit en intrigeert. De herhaling van een emotie via naast elkaar staande beelden versterkt in ruime mate het gevoel van een gespannen belevenis.

                                      hugo brutin (a.i.c.a.)